|
Fragment:
Herinnerd verleden
Vanmiddag nam ik afscheid van een illusie... belichaamd in een mens. Verkrampt verdriet om afscheid van een tijdperk en alles wat daar goed aan was. Ik moet loslaten wat nog niet af is en misschien nooit voltooid zal worden. Voorbij?
Buiten in het donker zie ik vage omtrekken van druipnatte bomen en jagende wolken met een randje van licht. De natuur huilt en het lijkt alsof ik daar buiten sta. Ik kijk en zie, maar voel niets. Versteend zit ik in mijn stoel voor het raam waar drie kaarsen branden op de vensterbank met een warmte van licht. In de vlammen word ik meegezogen: terug naar lang geleden: Daar is mijn opa, hij is dood. Koud en hard ligt hij daar, een statige man in een hoog wit bed. Een grote snor beheerst zijn uitgeteerd gezicht. Er zijn meer mensen in de kamer. De 'beste' kamer van mijn opoe, alleen van mijn opoe, niet van hém. Hem ken ik alleen maar in de keuken op een stoel naast het aanrecht. Zittend. Kaarsrecht. Maar mijn opoe is pront, die poetst en pronkt met haar spullen in het heiligdom waar ik maar heel af en toe komen mag. Nu ben ik er. Mijn opa, die ik alleen rechtop in de keuken ken, ligt languit en - weer kaarsrecht - uitgestrekt midden in de beste kamer. Met grote kinderogen zie ik het aan.
|